Overeenkomst van aanneming: aannemer moet snel afbouwen

Een particuliere opdrachtgever sluit een overeenkomst van aanneming om een nieuw woonhuis te bouwen. De aannemer start in 2017. Vanaf januari 2018 ligt het werk een aantal maanden stil door een bouwstop opgelegd door de gemeente. Partijen zijn van oktober 2018 tot februari 2019 in onderhandeling over hervatting van de werkzaamheden. Een bouwkundige onderzoekt daarna de constructie. Echter, de werkzaamheden zijn ook op 1 juli 2020 nog steeds niet hervat. Drie jaar is veel te lang als bouwtijd. De opdrachtgever stapt naar de rechter en vordert een voorlopige voorziening “voor de duur van het geding”. Artikel 223 Rechtsvordering bepaalt dat een voorlopige voorziening kan worden toegewezen als – onder meer – van de eiser in redelijkheid niet kan worden gevergd dat wordt gewacht op het einde van de procedure. De rechtbank constateert dat de ruwbouw al lange tijd is blootgesteld aan wind en water. Hoewel de aannemer aanvoerde dat er geen gevaar was voor schimmelvorming wordt het toch van belang geacht dat het bouwwerk snel wind- en waterdicht wordt gemaakt. De kosten daarvan werden geschat op € 7.000,-, inclusief het op- en afbouwen van een steiger. Bij vonnis van 1 juli 2020 veroordeelt de rechtbank Limburg de aannemer om de constructie binnen dertig dagen wind- en waterdicht te maken, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag, met een maximum van
€ 15.000,-.

Boete of dwangsom?

In veel aannemingscontracten is bepaald wanneer de te bouwen constructie moet worden opgeleverd en vaak worden ook de diverse termijnen gebonden aan einddata, al of niet afhankelijk van het aantal werkbare dagen en de weersomstandigheden. Vaak worden boetes gesteld op het te laat opleveren. Als geen boetes zijn afgesproken kan een opdrachtgever de rechter vragen een dwangsom op te leggen, als duidelijk is dat de aannemer in verzuim is. Bijvoorbeeld in een geschil over de verbouwing van de Houtmarktschool in Deventer schoot de aannemer niet op en was er discussie over de betaaltermijnen. De opdrachtgevers meenden al zo’n 65% van de aanneemsom betaald te hebben terwijl de bouw maar tot 40% was gevorderd. Bovendien zouden er ook al diverse gebreken zijn. De aannemer wilde niet verder bouwen voordat er méér betaald werd. De voorzieningenrechter te Zwolle besliste op 5 april 2019 dat de aannemer op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag (met een maximum van
€ 200.000,-) de buitengevel conform de overeenkomst moest afmaken en wel binnen tien dagen na betekening van het vonnis.

Een kort geding waarin dwangsommen worden gevorderd kan vaak een doorbraak betekenen in een impasse, ook in bouwgeschillen. De Groen & Van Lint Advocaten adviseert opdrachtgevers en aannemers hierover.