Fiscalisten en accountants: UBO-register in zomer 2018 openbaar

Er is veel politieke aandacht voor trusts, internationale belastingontwijking en meer toezicht op een en ander. De Panama Papers in 2016, de Paradise Papers in 2017, enzovoort. Krachtens de Europese richtlijn 2015/849 (de vierde anti-witwasrichtlijn van 20 mei 2015) had er op 26 juni 2017 een UBO-register in Nederland moeten zijn. Dat is er nog steeds niet, maar de verwachting is nu wel dat de aanpassing van de Handelsregisterwet en de opneming daarin van het register met informatie over de “uiteindelijk belanghebbenden”, in goed Nederlands: “ultimate beneficial owner(s)”, in de zomer van 2018 wordt ingevoerd. De belastingadviseurs (NOB) hadden bezwaar tegen de ruimere UBO-definitie in de nieuwe wet: de regels worden zó complex dat ze niet meer zijn uit te voeren, aldus de NOB. Want wie is nu precies de UBO? Dat is in veel gevallen wel duidelijk (de natuurlijke persoon die uiteindelijk eigenaar is of zeggenschap heeft over een juridische entiteit, dan wel voor wiens rekening een transactie of activiteit wordt verricht… en daarvoor is een aandelenpositie van plus 25% een indicatie). Maar echt scherpe grenzen zijn in de praktijk vaak moeilijk te trekken. Er moet echter wel duidelijkheid zijn óf iemand wel of niet in het (in principe: openbare) UBO-register moet worden opgenomen, bijvoorbeeld in het kader van het cliëntenonderzoek. En voor financiële instellingen, trustkantoren, accountants, advocaten en notarissen (de laatste twee categorieën: binnen zekere grenzen) komt in de Wwft een verplichting om “bij gerede twijfel over de juistheid van een gegeven omtrent een uiteindelijk belanghebbende” hiervan melding te doen aan het handelsregister… En als er geen UBO kan worden aangewezen, of daarover twijfel bestaat, zou zelfs hoger leidinggevend personeel als zodanig moeten worden aangewezen, volgens artikel 3 lid 6 van de richtlijn… De bezwaren van het NOB zijn op zich begrijpelijk. Belastingadviseurs c.s. die zich niet aan de regels houden kunnen immers te maken krijgen met boetes (maximaal zelfs € 10 miljoen) en dwangsommen. Bestaande dossiers moet opnieuw worden beoordeeld en er kan discussie bestaan.

Anderzijds kan er in veel gevallen in redelijkheid geen twijfel bestaan over de uiteindelijk belanghebbende. Zie bijvoorbeeld gerechtshof Amsterdam 13 juli 2017, waarin een mevrouw de UBO was achter “ontmoetingscentrum” (ook wel seksclub of saunaclub genoemd) YinYang te Roermond. ING Bank beëindigde de bancaire relatie na invallen door de politie, de vondst van cocaïne en pepperspray en de constatering dat in één jaar tijd € 4.724.460,- aan contant geld, veelal in coupures van € 200,- en € 500,-, bij ING was afgestort, en de herkomst niet eenvoudig verklaard kon worden… De reactie op de vraag hoe dit zat was: “Dat bezoekers een redelijke hoeveelheid contante bedragen meenemen is op zichzelf (…) niet vreemd. (…) De coupures van € 200,- of € 500,- die hiervoor gebruikt worden zouden afkomstig kunnen zijn uit het crimineel milieu maar kunnen ook net zo goed diezelfde dag bij een bank kunnen zijn verkregen. Hiervoor is niet meer nodig dan een telefonische bestelling vooraf”. In hoger beroep sleepte YinYang er nog net uit dat de beëindiging van de bankrelatie nog iets werd uitgesteld, tot 1 januari 2018.
Een belangrijk terzijde: deze regels gelden niet voor de Antillen.

Er gaan nog de nodige discussies plaatsvinden: to be an UBO or not to be an UBO! De Groen & Van Lint Advocaten adviseert en procedeert in dit soort zaken.