De waarheid! En anders verliest men de zaak…

Buitenlanders verbazen zich er al lang over dat een (conservatoir) beslag in Nederland zo gemakkelijk kan worden gelegd, meestal zonder dat de andere partij hierover tevoren wordt geïnformeerd. En het is dan ook extra zuur als beslag wordt gelegd op basis van onvolledige/onjuiste informatie aan de rechter. Maar daar is dan wel wat aan te doen! Een voorbeeld geeft het vonnis in kort geding van 19 oktober 2020 van de voorzieningenrechter civiel van de rechtbank Amsterdam. De rechter moest beslissen in een situatie waarin twee B.V.’s enige jaren met elkaar hadden samengewerkt bij het ontwikkelen van apps en games. De samenwerking haperde en er werden voorstellen over en weer gedaan om tot beëindiging te komen. In één van de concept-vaststellingsovereenkomsten was opgenomen dat er nog € 302.500,- aan de andere partij betaald zou moeten worden. Op de achtergrond speelde dat de gemaakte applicaties niet goed zouden werken. En als klap op de vuurpijl stuurde de ene partij een video naar de andere partij met als titel “dit-gaat-fout”. Hierin werd verslag gedaan van de moord op een kennis van de andere partij. Ook werd het bedrijfspand van de andere partij beschoten en de auto van een medewerker van de andere partij is vlak voor zijn woonhuis uitgebrand…! Kennelijk hielp een en ander nog niet voldoende en de “intimiderende” partij verzocht de rechter, zonder de ander in te lichten, toestemming om conservatoir beslag te mogen leggen onder ING Bank. Toestemming werd verleend en er werd beslag gelegd waardoor direct ruim € 700.000,- werd bevroren. De getroffen partij begon een kort geding. En… toen bleek dat de beslaglegger de rechter op het verkeerde been had gezet door een aantal belangrijke stukken niet te noemen, het verweer van de wederpartij niet te noemen en ook de reden waarom de wederpartij niet verder wilde onderhandelen (de doodsbedreigingen) te verzwijgen.

Waarheidsplicht

Artikel 21 Rv verplicht partijen in een procedure de feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Als deze verplichting niet wordt nageleefd kan de rechter daaruit de conclusies trekken “die hij geraden acht”. In dit geval besliste de rechter dat het weglaten van wezenlijk belangrijke feiten en stukken reden genoeg was om het beslag op te heffen. En de beslaglegger werd ook in de kosten van de procedure veroordeeld.

Artikel 21 Rv is in 2002 in de wet opgenomen. Sindsdien heeft de rechter een machtig wapen in handen om een partij die niet volledig of niet naar waarheid beweringen doet te “straffen”. De “straffen” variëren van soms een niet-ontvankelijkverklaring tot dan weer een af- of toewijzing van de vordering (dit laatste als de gedaagde partij de waarheidsplicht schendt). Ook wordt soms een extra schriftelijke ronde of mondelinge behandeling ingelast en soms komt de straf tot uiting in de veroordeling om niet de forfaitaire maar de werkelijke proceskosten te betalen, een stuk meer dus. Het kan echter nog sterker.

Gefalsificeerde factuur: aangifte

Heel erg bont maakte namelijk een aannemer uit Hoek van Holland het (het bedrijf is inmiddels failliet verklaard). Deze aannemer, BMN Aannemers B.V., zou het werk dat een eerder failliet gegane aannemer aan een woning had verricht afmaken en onder meer kozijnen met toebehoren plaatsen en leveren. De betreffende factuur ad € 7.195,- was aan BMN betaald. Er waren echter klachten over het uitgevoerde werk. BMN beriep zich erop dat zij bij Bouwcenter Dijkstra inkopen had gedaan en dat een deel van de aangeschafte materialen op 21 augustus 2017 was geleverd. Tijdens de procedure bleek dat de betreffende inkoopfactuur vervalst was en dat de gestelde leveringen een maand eerder hadden plaatsgevonden. De aannemer probeerde vervolgens te verhinderen dat de waarheid boven water zou komen en beriep zich op privacybescherming! Verder onderzoek zou volgens BMN schending van de AVG opleveren met een mogelijke boete van € 20 miljoen! De kantonrechter te Den Haag besliste op 27 november 2019 dat in verband met deze schending van de waarheidsplicht dat al hetgeen de aannemer aan stukken had ingediend buiten beschouwing moest blijven. De rechter kon niet meer vertrouwen op de echtheid en juistheid daarvan. De aannemer verloor de procedure daarom. Saillant is dat namens de aannemer, met een zekere bluf, eerder aan de kantonrechter was geschreven: “Cliënt juicht de eventuele inzet van justitie ten zeerste toe. De onderste steen moet boven komen en met name dient er extra aandacht worden geschonken aan de vraag waarom Bouwcenter Dijkstra zijn verplichtingen uit de AVG zo makkelijk prijsgeeft en of er een connectie bestaat tussen dit bouwbedrijf en de eisende partijen en of dit bouwbedrijf hier enig belang bij had.” De rechter nam dit advies ter harte en bracht de zaak ter kennis van de officier van justitie!