Waarom ontvangen steekpenningen moeten worden terugbetaald!

Verzekeraar HDI-Gerling ontdekte dat haar vroegere topman Gerd Mattke verdacht werd van het ontvangen van steekpenningen, onder meer via de privévennootschap Detoma B.V.. Leveranciers van HDI-Gerling, zoals een ICT-bedrijf maar ook bijvoorbeeld een bouwbedrijf, maakten geld over naar Detoma B.V., de vennootschap waarvan Mattke enig aandeelhouder/enig bestuurder is, als zij opdrachten van HDI-Gerling ontvingen. Dit was dan, zoals schriftelijk vastgelegd met die leveranciers, voor “bemiddeling/begeleidingskosten” voor opdrachten die HDI-Gerling gaf: 5% van het netto-factuurbedrag, ex BTW…
Dat Mattke aan belangenverstrengeling deed en hiermee via Detoma een “kick back” kreeg is wel duidelijk. Detoma heeft mede hierdoor een gezond eigen vermogen van
€ 673.974,- in 2012. Mattke voerde het verweer dat híj zelf geen geld had ontvangen. Hoewel de rechtbank besliste dat Mattke persoonlijk een ernstig verwijt gemaakt kan worden, werd de vordering jegens hem afgewezen. Mattke zelf had geen geld ontvangen…HDI had haar eis echter ook ingesteld jegens Detoma, de B.V. van Mattke. Detoma kwam met veel verweren, onder meer dat Mattke en Detoma afgesproken hadden dat de “fee van 5%” niet aan HDI in rekening zou worden gebracht, zodat HDI “niet zou zijn benadeeld”. Inderdaad werd niet vastgesteld dat de steekpenningen aan HDI-Gerling waren doorbelast. Dus waarom zou het geld dan terug moeten…? Het Nederlandse privaatrecht, anders dan het Duitse recht, kent ook geen uitdrukkelijke bepaling die de ontvanger van steekpenningen verplicht die af te dragen aan de partij ten laste van wie de steekpenningen zijn betaald. En het arrest van de Hoge Raad van 1926 (“Goudse Bouwmeester”) wees niet in de richting van terugbetalen. De rechtbank Den Haag hakte op 8 november 2017 de knoop door: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:12829: geld terug met rente en kosten! Het ontvangen van steekpenningen mag niet. Artikel 7:403 BW bepaalt dat een opdrachtnemer “rekening doet” van gelden die hij van derden heeft ontvangen bij de uitvoering van de opdracht. Niet een uitdrukkelijke plicht tot afgifte, maar de rechtbank besliste dat de rechtsliteratuur een ruime interpretatie mogelijk maakt. Dus: het ontvangen voordeel moet naar HDI, ook al zou die de steekpenningen niet zelf hebben betaald. Een wijze en moedige uitspraak. Het arrest van het gerechtshof waarover de Hoge Raad in 1926 besliste (“Goudse Bouwmeester”) is bijna 100 jaar later gecorrigeerd! Een belangrijke stap in de strijd tegen steekpenningen!