COA wijst zwangere sollicitante af: jaarsalaris schadevergoeding

Het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), een zelfstandig bestuursorgaan vallend onder de politieke verantwoordelijkheid van NB de staatssecretaris van justitie en veiligheid, heeft van december 2014 tot 1 april 2015 een uitzendkracht op de locatie Gilze en Rijen aan het werk gehad. Die uitzendkracht ontvangt een positief getuigschrift. Korte tijd later komt de functie van casemanager vrij, waarop deze sollicitante solliciteert. Aan het einde van de twee sollicitatiegesprekken lijkt de boodschap positief te worden maar deelt de sollicitante mee dat zij zwanger is. Op 14 december 2015 volgt telefonisch een afwijzing. De sollicitante neemt dat gesprek op en dan wordt duidelijk dat zij is afgewezen vanwege haar zwangerschap: “… en eh, dus ik vond het niet handig… want je bent wel zo ver gekomen en ik dacht van nou ok prima maar ehm het is gewoon niet handig om nu in te werken. Want je krijgt echt heel veel informatie en dat is gewoon niet handig… dus eh los van jouw zwangerschap euh want dat vind ik gewoon nog eventjes het probleem maar het is gewoon eh ja dat is gewoon zonde. Dat moet ik gewoon niet doen”.

Klacht College voor de Rechten van de Mens

De sollicitante dient een klacht in bij het College voor de Rechten van de Mens en op 23 maart 2017 beslist dit college dat het COA jegens de sollicitante verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht. Een dergelijke toegewezen klacht is vaak een springplank voor een claim bij de civiele rechter. Ook in deze situatie.

Schadevergoeding

De rechtbank Den Haag beslist op 24 januari 2019 dat het COA onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij geen arbeidsovereenkomst met de sollicitante heeft willen sluiten vanwege haar zwangerschap. Dit is een verboden direct onderscheid in de zin van de Algemene wet gelijke behandeling. De sollicitante is vanwege haar zwangerschap een arbeidsovereenkomst geweigerd. En dat mag niet! De rechtbank buigt zich vervolgens over de hoogte van de schade (gevorderd was twee jaar salaris c.a.) en schat in dat als de sollicitante was aangenomen het dienstverband naar verwachting een jaar zou hebben geduurd. Aldus wordt een vergoeding van € 37.077,21 bruto plus rente en kosten toegewezen. De gevraagde vergoeding voor immateriële schade wordt geweigerd. Het hebben van een “gekwetst gevoel” is onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van geestelijk letsel.

Op zich opmerkelijk dat een overheidsorgaan zich schuldig maakt aan discriminatie. Maar ja, ook de overheid “zijn maar mensen en maken dus fouten”, zou je kunnen zeggen. En gelukkig hebben we een onafhankelijke rechter die die fouten kan toetsen!

Sollicitanten kunnen hun eigen zwakke plekken ook wel eens aangrijpen om een afwijzing te verklaren door het verwijt dat er is gediscrimineerd. In veel van dit soort situaties is er misschien weliswaar twijfel of een zwangerschap in de weg staat aan een (verlenging van een) arbeidsovereenkomst, maar zijn er voldoende objectieve aanwijzingen dat bijvoorbeeld het functioneren niet goed genoeg was. Zie bijvoorbeeld de beslissing van het College voor de Rechten van de Mens van 25 april 2017: een maatschap van fysiotherapeuten vond de vrouwelijke werknemer onvoldoende functioneren om verder te gaan. Dat zij ook vertelde zwanger te zijn was voor de fysiotherapiepraktijk niet de reden om haar arbeidsovereenkomst niet te verlengen. Einde oefening!

Bewijs van discriminatie

Tot slot: voor werknemers/sollicitanten is vaak moeilijk aan te tonen dát zij worden gediscrimineerd. Een afwijzing kan bijvoorbeeld “tactisch” handig worden geformuleerd. Het opnemen van een telefoongesprek – hoe onsympathiek dan ook – is dan wel begrijpelijk. Dergelijk bewijs wordt vrijwel altijd toegestaan in civiele procedures, waarin de waarheidsvinding boven aan staat!