Nalatenschap: ondeelbare rechtsverhouding

De afwikkeling van nalatenschappen kan lang duren, vooral als de rechter hierin een beslissing moet nemen. Extra complicatie is dat het bij het opmaken van een boedelbeschrijving en de verdeling van de nalatenschap in beginsel een “processueel ondeelbare rechtsverhouding” betreft: beslissingen hierover moeten voor alle betrokkenen in dezelfde zin luiden. Dat betekent dat alle betrokkenen in een procedure hierover moeten worden opgeroepen. Dat wordt immers in artikel 6 EVRM (het recht op toegang tot de rechter en het recht op hoor en wederhoor) gegarandeerd. De Hoge Raad heeft op 10 maart 2017 een standaardarrest hierover gewezen, met aanwijzingen hoe de procedure moet verlopen. Als bijvoorbeeld wordt “vergeten” een deelgenoot (hier: erfgenaam) in de procedure op te roepen dan dient de rechter ambtshalve de niet-opgeroepen persoon alsnog de gelegenheid te geven aan de procedure mee te doen. Opmerkelijk is ook dat – anders dan in ons wetboek is bepaald over een reconventionele vordering – een betrokkene zelfs tegen zijn mede-eisers of medegedaagden een vordering kan instellen, ook in hoger beroep.

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch besliste op 23 januari 2018 dat in een procedure over de afwikkeling van een nalatenschap (erflater in 2005 overleden), begonnen in 2016, eerst nog een aantal betrokkenen die in eerste aanleg partij waren zullen moeten worden opgeroepen. Dat vertraagt de procedure dus aanzienlijk. In de procedure in ’s-Hertogenbosch kwam daar ook nog eens bij dat de betrokken advocaat als advocaat was geschrapt en dat er dus ook nog eens een nieuwe advocaat moest worden gezocht. De door de Hoge Raad in 2017 gegeven aanwijzingen moeten goed worden opgevolgd om onnodige vertraging te voorkomen. Bij onwillige of moeilijk vindbare erfgenamen zou dat probleem nog eens veel groter kunnen zijn, maar daar heeft de wetgever de “onzijdige persoon” (artikel 3:181 BW) voor als oplossing: als er moet worden verdeeld maar er wordt niet meegewerkt, dan kan de rechter “een onzijdig persoon benoemen die hen bij de verdeling vertegenwoordigt en daarbij hun belangen naar eigen beste inzicht behartigt. Hebben degenen die niet medewerken tegenstrijdige belangen, dan wordt voor ieder van hen een onzijdig persoon benoemd”. Een dergelijke “onzijdige persoon” behartigt de belangen van de vertegenwoordigde naar eigen beste inzicht, en de vertegenwoordigde heeft dat te accepteren, of hij wil of niet, zoals onlangs is bevestigd door de rechtbank Rotterdam.

De “processueel ondeelbare rechtsverhouding” geeft geregeld aanleiding tot de zogenaamde “exceptio plurium litis consortium”, het verweer dat door een gedaagde kan worden ingeroepen om ervoor te zorgen dat de eiser niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat ook anderen in het geding hadden moeten worden betrokken. Ook in erfrechtzaken is het dus van belang deskundig advies in te winnen.