Ontslag statutair bestuurder; raadgevende stem?

Het ontslag van een statutair bestuurder van een B.V. of N.V. lijkt op papier makkelijk, want kan immers plaatsvinden zonder rechter of UWV. In de praktijk blijkt het ontslag van een bestuurder echter geregeld eerder een mijnenveld dan een mooi geplaveide weg te zijn. Een prachtig overzicht van de stand van zaken geeft advocaat-generaal Assink in zijn conclusie van 17 januari 2020. Het geschil betrof de vraag of de bestuurder voldoende in staat was gesteld om zijn raadgevende stem in de aandeelhoudersvergadering te gebruiken. Bestuurders (naast commissarissen) hebben in de algemene vergadering van aandeelhouders immers een raadgevende stem: zij moeten voor een vergadering worden opgeroepen en in de gelegenheid worden gesteld om hun advies te geven, ook als het gaat om hun eigen ontslag.

In het geschil waarin Assink concludeerde was de bestuurder, statutair directeur, in een bijzondere algemene vergadering van aandeelhouders met onmiddellijke ingang als bestuurder ontslagen. Het ontslag zou in strijd met de wet zijn en dus nietig, aldus de bestuurder. Het gerechtshof Den Bosch besliste op 27 november 2018 dat er wel wat mis was met het ontslag, maar het ontslag was niet nietig maar vernietigbaar. En weliswaar had de bestuurder dit vernietigbare ontslag buiten rechte “vernietigd”, maar artikel 2:15 lid 3 BW schrijft voor dat vernietiging alleen maar kan plaatsvinden door een uitspraak van de rechter. En de bestuurder was niet (op tijd) naar de rechtbank gegaan. Anders dan de rechtbank besliste het gerechtshof dan ook dat het ontslag in stand bleef. De Hoge Raad volgde dit op 8 mei 2020 in een 81 RO-uitspraak, conform de conclusie van de AG Assink.

Rechtbank Limburg: ontslag bestuurder vernietigd

In een zojuist gepubliceerde uitspraak van de rechtbank Limburg kreeg de bestuurder echter gelijk. Wat was er aan de hand? De bestuurder was al jaren bij het bedrijf werkzaam, maar er was onvrede over zijn functioneren. Op 31 juli 2018 werd de bestuurder geschorst en direct werd aan de stafleden meegedeeld: “Wir haben uns von [de bestuurder] getrennt, gehen Sie davon aus, dass die Firma gute Gründe dafur hat, auf die Sie vertrauen können. Machen Sie bitte weiter mit Ihre tägliche Arbeit”. De buitengewone vergadering van aandeelhouders van 30 augustus 2018 ontsloeg de bestuurder met onmiddellijke ingang. De bestuurder betoogde echter dat zijn raadgevende stem op 30 augustus 2018 niet meer zinvol kon worden uitgebracht. Immers, zijn ontslag was al op 31 juli 2018 een fait accompli: de aandeelhouder had eigenlijk al 100% besloten en het advies van de bestuurder zou geen enkele invloed meer gehad hebben op de beslissing van de aandeelhouders. Daarom was het ontslagbesluit vernietigbaar en de bestuurder heeft dat besluit tijdig door de rechtbank laten vernietigen. Die bestuurder is dus – achteraf gezien – gewoon in dienst gebleven en moest met terugwerkende kracht zijn maandloon van € 19.666,67 bruto alsnog ontvangen. Aldus de rechtbank Limburg op 9 januari 2019.

Rechtbank Gelderland: ontslag in stand maar billijke vergoeding

Een andere variant werd behandeld door de rechtbank Gelderland. De bestuurder van Avantes B.V., vanaf 2012 in dienst, was opgeklommen tot statutair bestuurder. Binnen het managementteam was echter frictie ontstaan en meerdere medewerkers hadden het vertrouwen in deze bestuurder opgezegd; hij zorgde voor een “angstcultuur”. De bestuurder bleek verder wel erg vaak met de HR-officer in overleg te zitten en was ook verder wel erg close met deze HR-persoon (man of vrouw, dat vermeldt de uitspraak niet). Tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van 30 december 2019 werd de bestuurder ontslagen, waarbij de arbeidsovereenkomst is opgezegd tegen 1 maart 2020. De bestuurder toog naar de rechtbank Gelderland om het ontslagbesluit te laten vernietigen. Subsidiair werd om een billijke vergoeding gevraagd. De rechtbank besliste op 22 juli 2020 dat het ontslagbesluit in stand kon blijven. De raadgevende stem van de bestuurder zelf was in voldoende mate uitgebracht. De “angstcultuur” was bovendien als ontslaggrond aan de orde gekomen. Anderzijds vond de rechtbank dat de grond van het ontslag – een verstoorde arbeidsverhouding – weliswaar aanwezig was, maar dat Avantes zich onvoldoende had ingespannen om die verstoring te herstellen. Het ontslag bleef in stand. De rechtbank concludeerde echter ook dat er geen redelijke grond voor het ontslag was en daarom moet Avantes een billijke vergoeding betalen van € 70.000,- bruto. Conform het New Hairstyle-arrest ging de rechtbank niet mee in de eis van de bestuurder om € 700.000,- bruto als schadevergoeding toegewezen te krijgen. De bestuurder was immers pas één jaar bestuurder, er waren wel degelijk spanningen binnen het managementteam en al met al schatte de rechtbank in dat het dienstverband niet langer zou hebben geduurd dan circa vier tot acht maanden. En de bestuurder, 48 jaar, moet geacht worden binnen een redelijke termijn ander werk te kunnen vinden.

De Groen & Van Lint Advocaten adviseert bestuurders en werkgevers.